Vinden

Infrastructuur - Een nieuwe straat voor het klimaat

De klimaatverandering zal ons land niet ongemoeid laten. We mogen ons verwachten aan meer wateroverlast, toenemende hittestress en slinkende waterreserves. Maar er is ook goed nieuws: onze steden zullen groener, blauwer en aangenamer worden. De infrastructuursector krijgt een cruciale rol toebedeeld in de transitie naar een klimaatbestendige omgeving. (Laurenz Verledens)

Professor Patrick Willems windt er geen doekjes om. “Iedereen zal zich moeten aanpassen. Zelfs als we er wereldwijd in slagen om een duurzaam klimaatbeleid te voeren, dan nog zal de impact van de klimaatverandering hier duidelijk merkbaar zijn. Het zal inspanningen vergen van alle actoren – gemeenten en steden, industrie, landbouwers, natuurbeheerders, ruimtelijke planners, projectontwikkelaars enzovoort – om de gevolgen binnen de perken te houden.” Als hoogleraar stedelijke hydrologie en rivierkunde aan de KU Leuven bestudeert Willems al meer dan tien jaar de lokale impact van de klimaatverandering. Hij benadrukt dat we absoluut moeten blijven inzetten op mitigatie – het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen – om de klimaatverandering af te remmen. “Door mitigatie kunnen we in de komende tientallen jaren de impact grosso modo halveren”, zegt hij. “Maar we zullen sowieso ook moeten adapteren. De klimaatverandering is immers volop bezig en het klimaatsysteem reageert met vertraging op een daling van de uitstoot van broeikasgassen.”

Adapteren houdt in dat we onze omgeving en infrastructuur moeten afstemmen op en aanpassen aan de negatieve gevolgen van de klimaatverandering. In onze contreien krijgen we warmere en drogere zomers. De winters zullen dan weer natter worden. We zullen steeds vaker geconfronteerd worden met hittestress en lange droogteperiodes, maar ook met wateroverlast als gevolg van piekregens. Patrick Willems: “In de komende decennia zal bijvoorbeeld het aantal gevallen van wateroverlast met factor vijf tot tien toenemen.” Hij voegt er meteen aan toe dat het in de veronderstelling is dat we geen adaptatiemaatregelen nemen. Want dat is het goede nieuws: door adaptatiestrategieën te ontwikkelen en toe te passen, kunnen we de negatieve gevolgen in belangrijke mate beperken of verzachten.

Adaptatiemaatregelen koppelen aan infrastructuurwerken

De Belgische advies- en ingenieursbureaus zijn het alvast eens met Patrick Willems dat de klimaatverandering geen enkele sector ongemoeid zal laten. In een visiedocument van ORI, de koepelorganisatie van de advies- en ingenieursbureaus, klinkt het dat alle actoren in de samenleving zich nu al moeten voorbereiden op de uitdagingen van de klimaatverandering. De sector ziet voor zichzelf een leidende rol in de transitie naar een klimaatbestendige omgeving. “Ingenieursbureaus hebben het voordeel dat ze de problematiek op een geïntegreerde manier kunnen bekijken”, zegt Veronique Adriaenssen, consultant duurzame steden bij Arcadis en één van de auteurs van het visiedocument. “De meeste klimaatadaptatieplannen zijn sectoraal geregeld, maar wij zien het totaalplaatje.”

Ze onderlijnt ook dat klimaatproblematieken – droogte, hittestress en wateroverlast – even prioritair zijn. “Er is geen rangorde, maar soms is er wel een verschil in schaalgrootte en/of urgentie. Hittestress bijvoorbeeld laat zich in de steden nu al voelen. Dat vereist maatregelen die op korte termijn impact hebben. De zeespiegelstijging en de noodzaak om de kustbescherming daar op te voorzien, speelt dan weer op veel langere termijn. Maar toch kunnen we dat niet laten liggen, want het vereist infrastructuurwerken die vele jaren duren en veel geld zullen kosten.”

Haar collega Hendrik-Jan Steeman, teamleider duurzaam bouwen bij Arcadis, meent dat er bij elk nieuw infrastructuurproject nagedacht moet worden over klimaatadaptatiemaatregelen. “Infrastructuurwerken zijn als investeringsmomenten ideaal om een klimaatadaptatiebeleid in de praktijk te brengen”, zegt hij. “Omdat je dan de vereiste maatregelen kunt koppelen aan werken die toch al nodig zijn. Dat is veel praktischer en kostenefficiënter dan in bestaande infrastructuur zaken toe te voegen of aan te passen.”

Het is een good practicedie stilaan opgang begint te maken. Steeman wijst op het voorbeeld van de Oosterweelverbinding en de overkapping van de ring in Antwerpen. “Dat is in essentie een mobiliteits- en leefbaarheidsproject, maar de Stad Antwerpen wil die ingrijpende werken ook aanwenden om de water- en energiehuishouding van de stad te optimaliseren. We gaan bijvoorbeeld kijken of er in die nieuwe ringinfrastructuur opportuniteiten zijn om problemen van wateroverlast in de omliggende wijken op te lossen. Op die manier krijg je heel natuurlijk financiële synergieën en vermijd je dubbel werk en extra kosten. Want als je door niets te doen over enkel jaren geconfronteerd wordt met wijken die overstromen, zal de kostprijs om dat op te lossen ongetwijfeld veel hoger liggen.”

Groenblauwe netwerken voor aangenamere steden

Niet alleen grootschalige infrastructuurprojecten genre Oosterweel lenen zich voor het koppelen van klimaatadaptatiemaatregelen, ook op kleine schaal is er veel mogelijk. Professor Patrick Willems pleit voor een groenblauwe dooradering bij de (her)aanleg van straten, pleinen en parken. Hij geeft het voorbeeld van de herinrichting van een plein. “De eerste stap is opteren voor minder verharding”, legt hij uit. “Dus bijvoorbeeld een grasperk in plaats van stenen. Tegelijkertijd kan je zo’n onverharde zone glooiend maken waardoor je zones krijgt waar het water in kan blijven staan. Op die manier verminder je de druk op de riolering en omdat het water in de bodem kan infiltreren wordt de grondwaterreserve aangevuld. Je kunt dat ook combineren met een slim groenbeheer: hoge bomen aanplanten die voor schaduw zorgen waardoor je aan hittestressbeheer doet. Het is dus een strategie die de verschillende problemen – wateroverlast, droogte en hitte – tegelijk aanpakt.”

Hij wijst nog op andere voordelen: het laat een flexibele en stapsgewijze implementatie toe, het is effectief onder alle klimaatscenario’s en het zijn maatregelen die meestal ook op de steun van de buurtbewoners kunnen rekenen. Willems: “Dat is het mooie aan de aanpak: je verhoogt de leefbaarheid van de steden waardoor je ook de publieke opinie makkelijker meekrijgt. Een aanpak die alleen focust op de technische aspecten zoals de nood aan waterbuffering en -infiltratie, dat is een veel lastiger verhaal.”

Steeman bevestigt, maar voegt er aan toe dat er toch ook ingezet zal moeten worden op communicatie en sensibilisering. “Een straat heraanleggen zorgt onvermijdelijk voor overlast en mensen zien vooral die overlast. Daarom is het aan de overheid om goed te communiceren waarom die straat op die manier wordt heraangelegd. Onze steden zijn aan het veranderen. Groen en water zullen veel meer in de stad aanwezig zijn. Maar niet iedereen is al mee. Het gebruik van wadi’s om water te laten infiltreren neemt toe, maar ik denk dat veel mensen zich afvragen wat het nut is van die rare vijvertjes die bijna altijd droog staan.”

Grote steden nemen het voortouw

Patrick Willems stelt vast dat de grote steden in ons land vaak de voortrekkers zijn in het klimaatadaptief maken van infrastructuur. “Ik zie veel bewegen”, zegt hij. “Zeker in de grote steden; die zijn mee met het verhaal. Dat heeft ook te maken met het feit dat die grote steden zelf veel knowhow hebben. Ze beschikken over ambtenaren die de problematiek kennen, die weten wat er moet gebeuren. De kleinere gemeenten zijn heel vaak nog niet mee en dat is meestal gewoon een kwestie van onwetendheid. Intern ontbreekt de kennis en als ze een overheidsopdracht uitschrijven, wordt er nog te vaak naar de klassieke oplossingen gegrepen. Dat leidt tot op vandaag nog altijd tot gemiste kansen. Maar ik verwacht dat dit de komende jaren sterk zal verbeteren.”

Hendrik-Jan Steeman meent dat er over de ontwerpprincipes vandaag een ruime consensus is en dat het nu de taak is van ontwerpers, ruimtelijke planners en studiebureaus om de vertaalslag te maken op het terrein. “De goede voorbeelden zijn er”, zegt hij. “Het is nu een kwestie om die breder toe te passen. We moeten onze opdrachtgevers wijzen op de mogelijkheden. En belangrijk: we moeten ze overtuigen dat ze niet alleen mogen kijken naar de kost op korte termijn. Infrastructuur heeft immers een levensduur die vlot dertig, vijftig tot zelfs honderd jaar bestrijkt. Dan zitten we dus al ruim in 2050. Hoe zal het klimaat tegen dan evolueren? Daar moeten we in de plannen al rekening mee houden.”

Dit artikel is verschenen in Top Bouw, die beschikbaar is in pdf.

Interesse in een sectoranalyse?

De SectorTop is een analyse van de 50 grootste ondernemingen uit een specifieke sector. U krijgt rankings en grafieken voor 30 kerncijfers en ratio's op het vlak van rentabiliteit, solvabiliteit, liquiditeit en toegevoegde waarde. Nadien nemen we elk bedrijf afzonderlijk onder de loep, met de individuele trend per kerncijfer en mediaan van de sector. Info en bestellen

Terug
Inschrijven nieuwsbrief Uw advertentie in onze nieuwsbrief?
Infotheek
Vrijstellingsvoorwaarden waardeverminderingen op handelvorderingen na de crisis

Circulaire over de gevolgen van de crisis door het virus COVID-19 voor de toepassing van de vrijstellingsvoorwaarden van de waardeverminderingen op handelsvorderingen.
 

Gedematerialiseerde boekhouding

Gedematerialiseerde boekhouding - nieuwe documentatiemap

 

Centrale Raad voor Bedrijsleven - loonkostverslagen

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven - Verslagen over de loonkosten

Wetstraat
Behoud tewerkstelling na terugtrekking VK uit de EU

Wet tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie - BS 25 maart, p. 17.834

Invoering overbruggingsrecht zelfstandigen en tijdelijke maatregelen COVID-19

 Wet tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen - BS 24 maart, p. 17.822

Invoering Notariële Aktebank

Koninklijk besluit houdende de invoering van de Notariële Aktebank - BS 24 maart, p. 17.634